maandag 7 december 2015

Een paar links naar sites over gamification

In de module LOB (officieel Loopbaanoriëntatie en Begeleiding, maar in de uitvoering bij Economie vrijelijk uitgebreid tot Levensoriëntatie en Bildung), een onderdeel van de lerarenopleiding, maken de studenten voor het tweede achtereenvolgende jaar games.
Om zicht te krijgen op die mooie en complexe wereld van games heb ik een aantal links naar toegankelijke sites bijeengebracht. De focus ligt daarbij vooral op een specifieke tak van games, namelijk serious games. Wat maakt een game een serious game? Hoe kun je games gebruiken in het onderwijs? En wat is nou het verschil tussen games en gamification?
Onderstaande links brengen het antwoord.

Om te beginnen een drieluik van Karl Kapp, professor of instructional technology at Bloomsburg University in Bloomsburg, PA:

https://www.td.org/Publications/Blogs/Learning-Technologies-Blog/2014/02/Getting-Started-with-Gamification

https://www.td.org/Publications/Blogs/Learning-Technologies-Blog/2014/02/10-Best-Practices-for-Implementing-Gamification

https://www.td.org/Publications/Blogs/Learning-Technologies-Blog/2014/03/Eight-Game-Elements-to-Make-Learning-More-Intriguing

Twee boeken over gamification van Karl Kapp;
https://www.td.org/Publications/Author.aspx?ItemId=7709CA455784495CB58CACE7BFFD1099

video:
https://www.youtube.com/watch?v=BqyvUvxOx0M

Relatie tussen serious games en gamification
http://www.gamasutra.com/blogs/AndrzejMarczewski/20130311/188218/Whats_the_difference_between_Gamification_and_Serious_Games.php
http://www.gamified.uk/wp-content/uploads/2013/02/different-terms.jpg

wikipagina:
https://nl.wikipedia.org/wiki/Serious_game


zaterdag 18 april 2015

4 redenen om niet naar je werk te gaan


Een collega van mij ontving vorige week een mail van een docent op Aruba. De docent wilde graag de masteropleiding volgen aan onze hogeschool in Tilburg, maar omdat dit een deeltijdopleiding is wilde hij daarnaast graag blijven lesgeven. Op Aruba. Zou het wellicht mogelijk zijn om de masteropleiding op afstand te volgen, was de vraag van de docent.
Ik zag meteen kansen.
Nou weet je hoe dat gaat op kantoor: de een vindt dit, de ander is het er niet helemaal mee eens, je bent de sleur van het werk op dat moment een beetje beu, net als de slechte koffie, en voor je het weet zit je tegen elkaar op te bieden in extreme standpunten. De vraag "kunnen wij een masteropleiding op afstand aanbieden?" ontaardde in een uitspraak van mij:

"Ik durf te wedden dat ik hier een jaar lang mijn werk kan doen,
zonder dat ik één dag naar het instituut kom."

Daar zat misschien een tikkeltje bravoure in, toegegeven, maar we kwamen wel op een nieuw niveau van denken.
Die "daar-doe-ik-nog-een-schepje-bovenop" houding was even nodig om niet te verzanden in een rationele discussie met voors en tegens.
Die discussies hebben een nogal voorspelbaar verloop. Wat in zo'n situatie gebeurt is dat men direct in de reflex schiet om te redeneren vanuit een situatie die we kennen: schoolgebouw van steen en beton, lokalen van 8 bij 8 meter, 30 studenten en een docent voor een schoolbord.
Bij de suggestie om dat fysieke instituut af te schaffen vliegen de "ja-maars" je om de oren. Omgekeerd, als je een "ja-maar" inbrengt tegen de bestaande situatie, wordt je al snel als utopistische vaagdenker weggezet. Het denken vanuit de huidige situatie is zeer, zeer hardnekkig.
Mijn collega en ik zaten op dat moment echter te denken vanuit de andere richting. "O ja" begon mijn collega, "dus als jij een jaar lang hier niet bent, hoe wou je dan ...". "Nou", fantaseerde ik dan, "ik kan natuurlijk ...". En al pratende werden de mogelijkheden afgetast, aangescherpt, verfijnd, verworpen, aangevuld. We ontwierpen op dat moment geen Grote Sprong Voorwaarts voor het onderwijs, maar voerden een denkexperiment uit. Ga nog wat verder: denk alle schoolgebouwen weg. De lerarenopleiding als fysieke locatie bestaat niet meer. Zou je dan in zo'n situatie toch nog leraren kunnen opleiden? Welke taken moeten per se op het instituut worden uitgevoerd en kunnen niet daarbuiten worden uitgevoerd? en vooral: waarom?
Een paar voor de hand liggende voorbeelden.
1. Colleges geven. Een paar maanden geleden kon een van m'n studenten niet bij het college aanwezig zijn, omdat hij aansluitend een ouderavond had op z'n school. Een van z'n klasgenoten had een iPad meegenomen, logde in bij Skype, en zette de iPad op de voorste tafel. De hele bijeenkomst heeft de student kunnen volgen. Alternatieven voor colleges zijn tegenwoordig ruim voor handen: weblectures, flipped classroom videos, MOOC's, vodcast, google hangout en Skype, om maar een paar te noemen. In de situatie hierboven vielen het geven en het volgen van het college in de tijd samen. Het voordeel hiervan is dat directe interactie mogelijk blijft. De afstandstudent kan bijvoorbeeld vragen stellen en deelnemen aan discussie en opdrachten. Sommige van de genoemde alternatieven hebben het voordeel dat ze ook asynchroon ingezet kunnen worden. Daarmee wordt bedoeld dat het opnemen van de presentatie door de docent niet op hetzelfde tijdstip hoeft plaats te vinden als het bekijken van de presentatie door de student. De student kan een presentatie stopzetten, nogmaals bekijken, of delen overslaan.
2. Begeleiden van studenten. Ook in deze situatie is video conferencing via bijvoorbeeld Skype een prima uitkomst. Een van mijn studenten woonde in Groningen en hoefde alleen nog maar zijn afstudeeronderzoek af te ronden. Om de zoveel weken spraken we elkaar via Skype. Op de dag van de diploma-uitreiking schudde ik hem voor het eerst de hand.
3. Overleg. Een klas studenten uit de deeltijdopleiding kreeg van mij de opdracht om in groepjes een game te ontwikkelen ten behoeve van het vak. Zes weken kregen de groepjes de tijd om de opdracht uit te voeren. De groepjes kregen de keuze om wekelijks in het lokaal te werken of op een een andere plaats, maar ze moesten wel in de gegeven tijd aan de opdracht werken. Twee groepen heb ik wekenlang niet in het lokaal gezien. Ik logde wel in bij Google Hangout om delen van hun overleggen bij te wonen. Google Hangout is een video conference omgeving waarin je kunt chatten met video en geluid. Je kunt ook bestanden sturen naar elkaar of je desktop delen om de andere deelnemers met je scherm te laten meekijken. Deelnemers aan de conferentie zijn zichtbaar door een kleine miniatuurvenstertjes die naast elkaar verschijnen. De overleggen verliepen gedisciplineerd. Degene die praat komt namelijk groter in beeld en als je door elkaar heen praat ontstaat er een stroboscopisch effect.
4. Schriftelijke afstemming. Documenten zijn eenvoudig op te slaan en te delen in een cloud service, zoals dropbox. Met een dropbox app op je computer, tablet of smart phone kun je documenten ook offline lezen of wijzigen. Zodra je weer verbinding hebt met internet worden de gewijzigde documenten op alle plaatsen gesynchroniseerd. Een andere cloud service, Google docs, heeft als aardigheidje dat je met meer personen tegelijk in hetzelfde document kunt werken. Iedere bewerker heeft een andere kleur cursor en je ziet letterlijk het document voor je ogen veranderen als iemand anders iets wijzigt. Het nadeel van Google docs is echter dat je zonder internetverbinding met lege handen staat. Ach, iedere docent heeft inmiddels ervaring met geprezen en verguisde ELO's. En we kunnen ook nog altijd lekker ouderwets mailen.

Als je het rijtje zo overziet is er eigenlijk weinig reden om nog in de auto te stappen en aan te sluiten in de troosteloze voortschuifelende ochtendfile naar je werk. De uitgespaarde uren kun je weer effectief en fris inzetten voor je werk. Voor de hogeschool levert werken op afstand ook een direct financieel voordeel op, omdat er veel minder leslokalen en werkruimtes nodig zijn. De ogen van enkele collega's, die zich inmiddels rond ons denkspel hadden verzameld, begonnen vooral te glimmen bij de gedachte aan home-made cappuccino in plaats van de kantoorkoffie, die op ons instituut een ongeëvenaarde reputatie heeft verworven.

Blijft één dingetje over: het stagebezoek. Want je wil natuurlijk wel weten hoe de student het voor de klas doet. En op dat punt gaf ik m'n collega helemaal gelijk dat het onvermijdelijk is dat hij naar Aruba moet om de situatie ter plekke grondig te inspecteren. Grondig he, dus reken 5 tot 10 dagen. Ja, je moet wat over hebben voor je vak.

donderdag 23 oktober 2014

nullijn en de ambitie van leraren

In tijden van (dreigende) economische crisis zijn ambtenaren en leraren altijd als eerste het haasje. De regering moet bezuinigen, omdat in de vettere jaren traditioneel is verzuimd om reserves aan te leggen en het begrotingstekort terug te dringen. En wat is dan makkelijker dan groepen werknemers waarvan je er nogal veel hebt, wat af te knijpen? Leraren dus. Zijn bovendien zo mak als schapen, lam geslagen door eerdere nederlagen en vernederingen (zie bijvoorbeeld "De leraar is mak gemaakt", volkskrant 18 oktober 2014).
Een beproefde tactiek van de overheid is om salariskortingen in het onderwijs, effectief per 1 augustus, aan te kondigen in de eerste week van de zomervakantie.
Zo waren aan het begin van de laatste economische crisis de leraren dus ook weer de klos. Ondanks al het getoeter van politici dat de docent het verschil maakt en dat we hem/haar moeten koesteren, wordt besloten tot een "nullijn". Sinds 2010 zijn de salarissen bevroren, en na vier jaar beginnen leraren dat echt in hun portemonnee te voelen. Ten opzichte van 2009 heeft de man of vrouw voor de klas bijna 7 procent aan koopkracht ingeleverd (zie de grafiek hieronder).


Waarom zou iemand er nog voor kiezen om leraar te worden, of te blijven? Schrikt zo'n sterk achterblijvend salaris mensen die een loopbaan in het onderwijs overwegen niet af? En jaagt de regering op deze manier niet de beste mensen uit het onderwijs weg? Wie heeft nog de ambitie om leraar te worden, of te blijven?
Een paar weken geleden voerden studenten bij een van de vakken die ik op de lerarenopleiding geef het kwaliteitenspel uit. Dit is een kaartspel van ongeveer 75 kaarten, waarbij op iedere kaart een menselijke kwaliteit staat. De studenten kozen ieder 5 kwaliteiten die ze bij zichzelf vonden passen. In de discussie die volgde lichtten de studenten hun keuze toe. Over de kwaliteit "Ambitie" werd lang gesproken. Een van de ingebrachte standpunten was,  dat als je het "echte" beroep niet kon of wilde uitoefenen, je dan koos om les te geven in dat vak. Een econoom die geen bedrijf wil runnen, gaat economieles geven; een taalkundige die geen vertalingen wil maken, wordt docent Engels; een bioloog die geen veldonderzoek wil uitvoeren, wordt biologieleraar. Leraarschap is voor de mensen met een lage ambitie.
Het is natuurlijk een klassieke instinker. Docenten kiezen vaak aanvankelijk omdat ze zich aangetrokken voelen tot de inhoud van het vak dat ze geven. Maar ook andere aspecten bepalen of je als leraar succesvol bent. Kun je omgaan met leerlingen? Snap je hoe leerprocessen in z'n werk gaan? Doorgrond je het schoolsysteem en kun je eigen positie daarin bepalen? Ben je in staat om je persoonlijkheid in te zetten om resultaten te bereiken? Tijdens de opleiding tot leraar wordt daaraan veel aandacht besteed, door vakken als didactiek, pedagogiek en onderwijskunde. Laatst hoorde ik iemand zeggen: "je leert hier eigenlijk twee beroepen. Naast vakinhoudelijk deskundige wordt je ook deskundige op het gebied van leren en lesgeven". Twee vakken leren in de tijd van één, da's niet weggelegd voor mensen met een lage ambitie.
Dit misverstand wordt volop gevoed door de onderwijskundehaters, waarbij Aleid Truijens, columnist bij de Volkskrant, zich de laatste tijd met overgave in de voorste linie werpt. In haar column van 18 oktober 2014 stelt ze voor om de universitaire master lerarenopleiding maar af te schaffen. Studenten zijn er volgens haar weinig tevreden over, want ze krijgen een vracht aan pedagogiek en onderwijskunde en moeten eindeloos reflecteren.
De zurelappenclub Beter Onderwijs Nederland (BON) verkondigt alweer wat langer het evangelie van de alwetende vakdocent. Deze leerkracht legt zich helemaal toe op het overdragen van vakinhoud, liefst in gesegmenteerde, vroeggeselecteerde groepen. Hij hoeft zich niet bezig te houden met motivatie, want de stof zelf is al interessant genoeg, de leerlingen hangen aan zijn lippen terwijl hij zijn vakinhoudelijk betoog houdt. Hij wordt niet gehinderd door afleidende zaken als pedagogiek en reflectie en wordt al helemaal niet in de weg gelopen door schoolmanagers met misplaatste ambities. Ah, dat ging goed in de jaren vijftig van de vorige eeuw, dus waarom zou dat nu niet werken, toch?
Het idee van een vakinhoudelijk bekwame, maar pedagogisch en didactisch gemankeerde leraar wordt niet breed gedragen. Het voorstel van Truijens werd al snel gefileerd en afgeserveerd door Peter-Arno Coppen (zie http://nederl.blogspot.nl/2014/10/reflecteren-op-een-vracht-onzin.html).
De studenten van het kwaliteitenspel waren het er uiteindelijk over eens: om leraar te zijn moet je wel degelijk ambitieus zijn. Je moet het vak waarin je lesgeeft inhoudelijk tot in de puntjes beheersen. Je moet kunnen omgaan met een grote diversiteit aan leerlingen. Je moet ze kunnen motiveren, uitdagen, helpen, controleren, aanmoedigen, bij de les houden. Je moet je werkwijze continu onder de loep nemen en zoeken naar verbeteringen. En ja, dit is de 21ste eeuw: je moet ook meekunnen op het gebied van technologie, ICT, smart phones, iPads, blogs, apps en games.
En zo kruipt het vak leraar naar 3-beroepen-in-1. Maar wel voor één enkel salaris. Een salaris dat door een regering zonder ambities al jaren op de nullijn wordt gehouden.






maandag 14 april 2014

Analogieën

Vorige week was de open avond van de onderwijsinstelling waar ik werk. In de zuid-Nederlandse stad kon het je niet ontgaan zijn. Paarse billboards langs de ringbaan lokten potentiële studenten naar het onderwijscomplex, paarse vlaggen begeleidden de mensen van de parkeerplaats naar de ingang, waar ze werden verwelkomd door een immense paarse R. Kijk, da's nou marketing. De kandidaten die zich kwamen oriënteren op het lerarenberoep werden vakkundig naar de A-vleugel en de B-vleugel van het gebouw geleid, en daar, in de lokalen met geurende koffie, inzageboeken en glanzende brochures, daar zaten wij. Vier tafeltjes tegen elkaar geschoven, in het gelid om de vragen van de kandidaat-studenten te beantwoorden.
Wat me opeens opviel in deze gesprekken, was dat over het beroep van leraar vaak werd gesproken in analogieën. De leraar werd dan vaak vergeleken met andere beroepsbeoefenaren of een typerend object, om een bepaald aspect van het leraarschap te verhelderen. Boeiend, hoe veelzijdig en veelkleurig het beroep van leraar is. In een lange parade kwamen de volgende vergelijkingen voorbij (ik overdrijf nu een beetje. Ik heb ze wel allemaal ooit gehoord, maar niet per sé die ene avond):
- de docent als onderzoeker;
- de docent als regisseur;
- de docent als reisleider;
- de docent als ontwerper;
- de docent als masseur;
- de docent als cabaretier;
- de docent als politie-agent;
- de docent als vertrouwenspersoon;
- de docent als scheidsrechter;
- de docent als coach van een voetbalteam;
- de docent als ruiter op een paard;
- de docent als goochelaar;
- de docent als spiegel;
- de docent als richtingwijzer/ wegwijzer;
- de docent als theeschenker;
- de docent als clown/ circusartiest/ dompteur.
Een analogie die mij bijzonder goed bevalt, is de vergelijking de dirigent van een orkest. Vraagt overzicht, inzicht, met kleine bewegingen dingen in gang zetten, sussen, aanmoedigen, leiden, en zorgen dat het orkest boven zichzelf uitstijgt. Knappe dirigenten kunnen dat. Hele knappe dirigenten kunnen dat met minimale middelen. In een documentaire van een masterclass van Valeri Gergiev gaf de topdirigent aan aankomende dirigenten de opdracht om eens zonder handen te dirigeren. Hij zou het wel even voordoen: 80 musici kwamen feilloos op gang door simpelweg een wenkbrauw op te trekken. Bernstein kon het ook, zoals te zien is in een filmpje op youtube.
Kijkvraag 1: hoe zou Bernstein het voor de klas doen, denk je?
Kijkvraag 2: welke subtiele directietechnieken kun je leren om je docentgedrag te verbeteren?


dinsdag 11 februari 2014

CITO, suiker en concentratie


Vandaag begon voor de achtstegroepers de CITO. Dus toog mijn zoon vandaag voorzien van een pak autodrop naar school. "Zenuwachtig?" "Neuh gaat wel". In de weekbrief werd eerst nadrukkelijk gesteld dat kauwgom, snoep en drankjes niet zijn toegestaan. Maar dit werd maandag toch weer afgezwakt - tradities en verworven rechten zet je niet zomaar aan de kant.
En terwijl in het klaslokaal gezwoegd wordt op taal, spelling, studievaardigheden en rekenen, knaagt mijn nieuwsgierigheid bij een kop koffie: hoe zat dat nou precies met suiker en concentratievermogen, cognitieve prestaties en zo? Laatst iets over gelezen... onderzoek dat je een beetje moet nemen, maar ook niet teveel... of ging dat over caffeïne? nieuwsgierigheid krijgt gezelschap van bezorgdheid: je wil natuurlijk niet dat je kind zijn middelbare-schoolperspectieven verklooit omdat-ie bij de CITO heeft staan stuiteren van de suiker, niet meer in staat om 1+1 op te tellen.
Toch even kijken op internet. Kan ik in mijn koffiepauze er iets zinvols over vinden?
Glucose is de brandstof voor de hersenen. "Als het centraal zenuwstelsel (hersenen) weinig koolhydraten krijgen aangeboden, nemen concentratievermogen en mentale alertheid af", schrijft het Kenniscentrum Suiker bij de FAQ. Ok, 1-0 voor de autodrop.
Maar de splitsing van suiker kost water. Veel drop eten en daarbij te weinig drinken kan je uitdrogen. Da's weer niet best voor je concentratie. Veel water drinken dus tijdens de CITO.
Vlak voor het einde van mn koffiepauze scan ik de themapagina "gedrag" van KenniscentrumSuiker. Genieten van suiker zorgt bij veel mensen voor ontspanning. En ook hier weer: glucose is de brandstof voor de hersenen. Tja, dat zit ook in twee bruine boterhammen met appelstroop en een handje druiven.
koffiepauze voorbij. Koffie: dat blijkt volgens onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam dus wel te helpen bij cognitieve prestaties. Bewegen trouwens ook. En niet te lang achter elkaar dezelfde mentale taak uitvoeren, want dan treedt mentale vermoeidheid op. Een beloning in het vooruitzicht stellen helpt daar weer bij. Dropje?


maandag 21 oktober 2013

inspiration 3.0 (5): Frames of Mind


De theorie van Meervoudige Intelligentie (MI-theory) zal waarschijnlijk voor altijd direct verbonden blijven aan de Amerikaanse psycholoog Howard Gardner. Hij introduceerde de MI-theory in het boek "Frames of Mind" uit 1983. In de psychologische traditie tot die tijd sprak men over intelligentie als een ongedeelde hersenfunctie, terwijl in de ogen van Gardner vooral gekeken werd naar twee specifieke uitingen van intelligentie: de linguistische en logisch-mathematische intelligentie. In Frames of Mind onderscheidt hij aanvankelijk zeven verschillende soorten intelligentie:
- linguistische intelligentie;
- logisch mathematische intellligentie;
- ruimtelijke intelligentie;
- motorisch-kinestetische intelligentie;
- muzikale intelligentie;
- interpersoonlijke intelligentie;
- intrapersoonlijke intelligentie.
Later voegde hij daar een achtste aan toe: naturalistische intelligentie.
Hoewel het de bedoeling van Gardner was om een boek te schrijven in het psychologische wetenschapsdomein, heeft MI-theory sindsdien vooral een grote impact gehad op het onderwijs.
"When drafting Frames of Mind, I was writing as a psychologist and to this day that remains my primary scholarly identification. Yet, given the mission of the Van Leer Foundation and my affiliation with the Harvard Graduate School of Education, it was clear to me that I needed to say something about the educational implications of MI theory. And so, I conducted background research about schools and about education, more broadly defined; in the concluding chapters I touched on some educational implications of the theory. This nod toward education turned out to be another crucial point because it was educators, rather than psychologists, who found the theory of most interest." (Gardner, 2011)




Howard Gardner in Washington Post: MI are not Learning Styles
http://multipleintelligencesoasis.org/
http://howardgardner.com/

http://multipleintelligencesoasis.org/wp-content/uploads/2013/06/intro-frames-10-23-10.pdf

vrijdag 24 mei 2013

Mentimeter in je klasseblog


Stel je hebt een klasseblog (en wie heeft dat tegenwoordig nou niet), en je wilt op dat blog een peiling houden. De (tussen-)resultaten van de peiling wil je ook op datzelfde blog zichtbaar maken.
Met mentimeter en wat embed-code is dat een fluitje van een cent.
Via de site www.mentimeter.com kun je heel eenvoudig een vraag invoeren, met daaraan  gekoppeld een aantal antwoordalternatieven. Druk op de knop "start presenting" om de peiling zichtbaar te maken. Rechtsonder vind je in het scherm mogelijkheden om de peiling te delen met anderen:

In het venstertje dat je opent heb je een paar gegevens nodig om in de html-code van je blog te plakken. Ik heb ze in de afbeelding hieronder met geel en rood gemarkeerd (de gedeeltes met "111111" "xxx" en "yyy" zijn uniek voor jouw vraag).

Het enige dat je nu eigenlijk moet doen, is de code in het rood gemarkeerde deel twee keer in je blog plakken. Daarna vervang je in de bovenste van die twee de URL die verwijst naar het resultaat (src="https enz...") door de URL in het gele gedeelte.

De vraag of stelling met antwoordalternatieven is nu zichtbaar op je blog. Zodra iemand via je blog een stem uitbrengt, worden de resultaten direct aangepast. probeer het hieronder maar uit. Je kunt op een vraag maar een keer je stem uitbrengen.





Hieronder zie je de tussenstand van iedereen die op bovenstaande vraag heeft gestemd: